Praktijkonderwijs

Praktijkonderwijs in het kort

Praktijkonderwijs is bestemd voor leerlingen in het voortgezet onderwijs die ook met hulp en begeleiding naar alle waarschijnlijkheid geen vmbo-diploma zullen halen. Ze kunnen heel veel dingen goed maar leren met boeken langs meestal de groepsgewijze lesmethoden die op vmbo, havo en vwo worden gevolgd, zit er voor deze leerlingen gewoon niet in. De leerlingen kunnen wel leren om deel te nemen aan de samenleving, onder meer door middel van werk. Op de scholen voor praktijkonderwijs wordt de leerlingen dat bijgebracht, door middel van onderwijs dat op de individuele leerling is toegesneden. Veel maatwerk dus.

Opdracht volgens de wet op het voortgezet onderwijs

Praktijkonderwijs is regulier voortgezet onderwijs, net als vmbo, havo en vwo. De opdracht van het praktijkonderwijs staat in de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO).
In artikel 10f van de WVO staat dat het praktijkonderwijs bestaat uit een gedeelte waarin aangepast theoretisch onderwijs, persoonlijkheidsvorming en het aanleren van sociale vaardigheden worden verzorgd en een gedeelte waarin de leerling wordt voorbereid op het uitoefenen van functies op de arbeidsmarkt. Het gaat dan om functies die op een niveau liggen dat is gelegen onder het niveau van de assistentenopleiding van het mbo.
Het artikel schrijft verder voor dat praktijkonderwijs gericht is op de kerndoelen voor de onderbouw van het voortgezet onderwijs. Ook meldt het dat het praktijkonderwijs er naar streeft dat leerlingen zo veel mogelijk het referentieniveau Nederlandse taal en het referentieniveau rekenen bereiken.

Taal en rekenen in het praktijkonderwijs

Het praktijkonderwijs heeft als opdracht leerlingen voor te bereiden op volwaardige participatie in de samenleving. Een bepaald basisniveau aan taal- en rekenvaardigheid hoort daarbij. Daarom is het voorgeschreven dat het praktijkonderwijs er naar streeft leerlingen op het terrein van taal en rekenen te onderwijzen in de richting van het zogeheten niveau 1F. Dit is het niveau waarvan wordt aangenomen dat 75% van alle leerlingen aan het einde van het basisonderwijs beheerst. Voor veel leerlingen die naar het praktijkonderwijs gaan, is in het basisonderwijs gebleken dat zij moeite hebben met begrijpend lezen en inzichtelijk rekenen; leren uit boeken gaat daardoor gewoon moeilijker. Daarom gaan ze naar het praktijkonderwijs. In het praktijkonderwijs wordt vervolgens op individuele basis gekeken naar wat de leerling op het vlak van taal en rekenen nodig heeft om deel te kunnen nemen aan de samenleving. Het kan dan blijken dat sommige leerlingen meer in hun mars hebben dan anderen. Er geldt voor scholen in het praktijkonderwijs een inspanningsverplichting leerlingen zo ver mogelijk te brengen; geen resultaatsverplichting.

Leerplicht en kwalificatieplicht

Leerlingen op het praktijkonderwijs zijn als alle anderen volledig leerplichtig tot aan het einde van het schooljaar waarin zij 16 jaar zijn geworden. Tot het moment dat de leerling de school voor praktijkonderwijs verlaat , is zij of hij op grond van de leerplichtwet kwalificatie-plichtig. Die kwalificatieplicht vervalt echter, zodra de leerling bij het verlaten van de school een getuigschrift of diploma praktijkonderwijs heeft ontvangen.
Andere leerlingen uit het voortgezet onderwijs, bijvoorbeeld uit het vmbo, zijn vanaf het schooljaar waarin zij 16 jaar zijn geworden kwalificatie-plichtig tot hun 18e of tot het moment waarop zij de startkwalificatie op niveau 2 mbo hebben behaald. Kwalificatieplichtig houdt in dat de jongere op een school moet staan ingeschreven, eventueel en een duaal traject van leren en werken.

Verblijfsduur op het praktijkonderwijs

Het praktijkonderwijs gaat uit van een cursusduur van vijf jaar. De meeste leerlingen verlaten het praktijkonderwijs aan het einde van het schooljaar waarin zij 17 jaar oud zijn geworden. Ze mogen er een jaar langer overdoen, want in de wet op het voortgezet onderwijs is in artikel 27 bepaald dat leerlingen het praktijkonderwijs verlaten uiterlijk na afloop van het schooljaar waarin zij 18 jaar zijn geworden. Daarna is nog een uitzondering mogelijk, in die gevallen waarin is gebleken dat de leerling door een samenloop van omstandigheden nog niet voldoende is voorbereid op het werken in een baan die ligt onder het niveau van dat van de assistentenopleiding mbo. Er kan dan voor de leerling ontheffing van de maximale verblijfsduur worden aangevraagd bij de inspectie van het onderwijs.

Nazorg door het praktijkonderwijs

Het praktijkonderwijs is nog niet klaar als de leerling de school verlaat. Er wordt van uitgegaan dat de school de leerling “enige vorm van nazorg” verleent na het verlaten van de school. In ieder geval behoort het volgen van de leerling tot de nazorg, zodanig dat de school weet waar de leerling terecht is gekomen. De scholen voor praktijkonderwijs voeren dit aspect van de nazorg uit met behulp van de bekende uitstroommonitor en volgmodule.
De inspectie van het onderwijs verstaat onder nazorg dat de school als bemiddelaar optreedt en de contacten legt met instanties die ervoor kunnen zorgen dat een leerling weer aan de slag komt of in een traject komt dat leidt naar arbeid of een opvang met als doel arbeid weer mogelijk te maken. Afspraak tussen Landelijk Werkverband en de inspectie van het onderwijs is dat de scholen hun ex leerlingen met de uitstroommonitor en volgmodule volgen gedurende een periode van twee jaar na het verlaten van de school.

error: Content is protected !!