Praktijkonderwijs in het algemeen

De wettelijke opdracht van het praktijkonderwijs is toeleiding naar arbeid. In de praktijk is de groep leerlingen zo heterogeen dat ook het uitstroomperspectief divers is. Als leerlingen het praktijkonderwijs conform hun eigen mogelijkheden hebben doorlopen, ontvangen zij na het vierde of vijfde leerjaar een diploma praktijkonderwijs of een getuigschrift. De leerlingen stromen uit naar een (beschutte) arbeidsplaats of dagbesteding. Een deel van de leerlingen volgt na het vierde of vijfde jaar binnen onze school  de Entrée-opleiding (mbo-niveau 1) in combinatie met stage of werk.

 

Opdracht volgens de wet op het voortgezet onderwijs
Praktijkonderwijs is regulier voortgezet onderwijs, net als vmbo, havo en vwo. De opdracht van het praktijkonderwijs staat in de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO).
In artikel 10f van de WVO staat dat het praktijkonderwijs bestaat uit een gedeelte waarin aangepast theoretisch onderwijs, persoonlijkheidsvorming en het aanleren van sociale vaardigheden worden verzorgd en een gedeelte waarin de leerling wordt voorbereid op het uitoefenen van functies op de arbeidsmarkt. Het gaat dan om functies die op een niveau liggen dat is gelegen onder het niveau van de assistentenopleiding van het mbo.
Het artikel schrijft verder voor dat praktijkonderwijs gericht is op de kerndoelen voor de onderbouw van het voortgezet onderwijs. Ook meldt het dat het praktijkonderwijs er naar streeft dat leerlingen zo veel mogelijk het referentieniveau Nederlandse taal en het referentieniveau rekenen bereiken.

Taal en rekenen in het praktijkonderwijs
Het praktijkonderwijs heeft als opdracht leerlingen voor te bereiden op volwaardige participatie in de samenleving. Een bepaald basisniveau aan taal- en rekenvaardigheid hoort daarbij. Daarom is het voorgeschreven dat het praktijkonderwijs er naar streeft leerlingen op het terrein van taal en rekenen te onderwijzen in de richting van het zogeheten niveau 1F. Dit is het niveau waarvan wordt aangenomen dat 75% van alle leerlingen aan het einde van het basisonderwijs beheerst. Voor veel leerlingen die naar het praktijkonderwijs gaan, is in het basisonderwijs gebleken dat zij moeite hebben met begrijpend lezen en inzichtelijk rekenen; leren uit boeken gaat daardoor gewoon moeilijker. Daarom gaan ze naar het praktijkonderwijs. In het praktijkonderwijs wordt vervolgens op individuele basis gekeken naar wat de leerling op het vlak van taal en rekenen nodig heeft om deel te kunnen nemen aan de samenleving. Het kan dan blijken dat sommige leerlingen meer in hun mars hebben dan anderen. Er geldt voor scholen in het praktijkonderwijs een inspanningsverplichting leerlingen zo ver mogelijk te brengen; geen resultaatsverplichting.

Leerplicht en kwalificatieplicht
Leerlingen op het praktijkonderwijs zijn als alle anderen volledig leerplichtig tot aan het einde van het schooljaar waarin zij 16 jaar zijn geworden. Tot het moment dat de leerling de school voor praktijkonderwijs verlaat, is zij of hij op grond van de leerplichtwet kwalificatie-plichtig. Die kwalificatieplicht vervalt echter, zodra de leerling bij het verlaten van de school een getuigschrift of diploma praktijkonderwijs heeft ontvangen.

Verblijfsduur op het praktijkonderwijs
Het praktijkonderwijs gaat uit van een cursusduur van vijf jaar. De meeste leerlingen verlaten het praktijkonderwijs aan het einde van het schooljaar waarin zij 17 jaar oud zijn geworden. Ze mogen er een jaar langer overdoen, want in de wet op het voortgezet onderwijs is in artikel 27 bepaald dat leerlingen het praktijkonderwijs verlaten uiterlijk na afloop van het schooljaar waarin zij 18 jaar zijn geworden. Daarna is nog een uitzondering mogelijk, in die gevallen waarin is gebleken dat de leerling door een samenloop van omstandigheden nog niet voldoende is voorbereid op het werken in een baan die ligt onder het niveau van dat van de assistentenopleiding mbo. Er kan dan voor de leerling ontheffing van de maximale verblijfsduur worden aangevraagd bij de inspectie van het onderwijs.

Nazorg door het praktijkonderwijs
De nazorg voor de uitgestroomde leerlingen wordt door Focus op een actieve manier verzorgd. De leerlingen moeten, wanneer zij uitstromen, zo zelfstandig mogelijk in de maatschappij kunnen functioneren, werken en wonen. Alle schoolverlaters van Focus worden minimaal twee jaar na het verlaten van de school gevolgd.

De nazorg bestaat uit de volgende onderdelen:

Contact met schoolverlater
Het contact met de schoolverlater en de ouder(s) vindt meestal telefonisch plaats, maar de schoolverlaters worden hiervoor ook regelmatig uitgenodigd op school of nemen zelf initiatief. In het eerste jaar na het schoolverlaten gebeurt dit minimaal drie keer, in het jaar daarop volgend twee keer.

Contact met vervolgopleiding
Dit contact is vooral van belang om eventuele verstoringen tijdig te signaleren. Dit kan in sommige gevallen ook leiden tot een meer intensieve begeleiding van de schoolverlater door Focus.

Contact met uitstroomadres van de schoolverlater, jobcoaches en gemeente.
Dit contact is minder intensief dan het contact met een vervolgopleiding. De geschiedenis heeft namelijk geleerd dat, indien de leerling via een stage werk heeft gevonden, de match met het bedrijf goed is geweest en er meestal geen problemen meer zijn of komen. De contacten met gemeente, jobcoaches zijn wel intensief.


Top